|
“Het is toeval dat ik hier aan de Meulesteedsesteenweg
mijn praktijk heb”, vertelt dr. Sturtewagen. “Tweeëntwintig
jaar geleden was je als beginnend huisarts niet overal even
welkom. De concurrentie speelde heel erg en gevestigde huisartsen
waren bang om patiënten te verliezen als er een nieuwkomer
was. Zo zie je maar: vandaag de dag worden beginnende huisartsen
met toeters en trompetten binnengehaald, blij dat er versterking
is. Toen ik afstudeerde kwam er een huis vrij aan de Meulesteedsesteenweg
en in de buurt dacht een huisarts eraan om met pensioen te
gaan. Ik heb de gelegenheid te baat genomen. Ik voel me goed
in deze “ruige” buurt. Ik heb er nog nooit problemen
gehad. Ik weet dat veiligheid een actueel thema is, ook bij
huisartsen, maar wat mij betreft is dat soms wat overroepen.
Dat er af en toe iets gebeurt is onvermijdelijk, maar onveilig
voel ik me zelden.
Ik heb me geëngageerd in diverse verenigingen, waaronder
de Huisartsenkring Gent Centrum, de Huisartsen Vereniging
Gent en de werkgroep Formularium van het OCMW. Het eigene
aan engagement is dat je weet waar het begint, maar niet waar
het ophoudt. Ik kan moeilijk neen zeggen en de mensen weten
dat. Ik neem dat engagement graag op, ik zou het niet meer
kunnen missen. Het verplicht je om de literatuur bij te houden
en het scherpt je kritische geest. In de Huisartsenkring Gent
Centrum ben ik sinds kort coördinator van de nascholing.
Om de twee weken organiseren we een avond rond een praktisch
en huisartsgericht thema. Mijn persoonlijke interesse gaat
vooral uit naar de pneumologie en naar preventie als onderdeel
van het huisartsenprogramma.”
Het paard van Troje
“Net op het gebied van preventie is er heel wat aan
het veranderen”, meent dr. Sturtewagen. “Ik vrees
dat het Globaal Medisch Dossier, dat sinds 1 mei veralgemeend
is, wel eens een paard van Troje zou kunnen zijn. Voor enkele
euro’s meer halen de huisartsen zich een enorme verantwoordelijkheid
op de hals wat preventie en screening betreft. Het is vandaag
moeilijk in te schatten hoe ver die responsabilisering zal
leiden. Het uiteindelijke doel van het GMD is een correcte
follow-up van elke patiënt. Met het GMD is er de theoretische
zekerheid dat we de patiënt niet alleen goed volgen,
maar dat we ook een impact hebben op zijn gedrag, op zijn
eigen individueel gezondheidsbeleid. Méér nog
dan vroeger zal de huisarts initiatieven moeten nemen op het
gebied van preventie en screening. Stel dat er bij een patiënte
van 55 jaar bij wie geen screening gebeurd is borstkanker
wordt vastgesteld. Hoe ver reikt dan de verantwoordelijkheid
van de huisarts? Hoe zwaar weegt dit juridisch allemaal? Deze
vragen hebben geen duidelijk antwoord.
Let wel: ik ben blij dat het GMD er is en dat de huisarts
als spilfiguur bevestigd wordt. Alleen ontbreken al te vaak
de middelen om de toegewezen taken op te nemen. Er is dringend
nood aan een vlot bruikbaar Elektronisch Medisch Dossier.
Het huidige probleem is een gebrek aan compatibiliteit tussen
de diverse informaticaprogramma’s. Het is hoogtijd dat
er een standaard met mininumvereisten komt. Naar verluidt
wordt daar op ministerieel niveau aan gewerkt. En als die
standaard er is, dan zal er ook een financiële incentive
nodig zijn om de huisartsen zo snel als mogelijk op het goede
informaticaspoor te zetten. Ik hoop dat de overheid dat inziet,
al vrees ik dat de 13 euro en 5 cent van het GMD in informatica-investeringen
op zullen gaan.”
Gezondheidswerkers
“Mijn grootste motivatie om huisarts te worden was de
behoefte aan afwisseling en aan direct intermenselijk contact.
Het zijn nog altijd de belangrijkste redenen waarom ik van
mijn werk hou. Maar als je me vraagt of ik zou herbeginnen,
dan knaagt de twijfel. Ik vrees dat de huisartsgeneeskunde
zoals die nu bestaat ten dode opgeschreven is. Wat er in de
plaats zal komen is nog erg onzeker. Kom je over vijf of tien
jaar nog eens terug voor een interview, dan krijg je gegarandeerd
een heel ander verhaal te horen. Zoals we nu werken is het
praktisch en materieel niet lang meer houdbaar. Volgens mij
zal de huisarts van de toekomst een gezondheidswerker zijn
die vooral aan preventie en screening doet, terwijl het therapeutische
luik geheel en al in gespecialiseerde centra plaats zal vinden,
misschien ten dele bemand door huisartsen. En misschien is
dat niet eens zo’n slechte evolutie voor de gezondheidszorg.
Het zou een oplossing kunnen zijn voor de dure apparaten en
de strenge eisen waar solo-artsen nog nauwelijks aan kunnen
beantwoorden als ze hun taak serieus nemen. Alleen, dat is
niet mijn ding. Ik zou daar niet gelukkig mee zijn. Ik zie
mezelf niet in de eerste plaats als een doorverwijzer.
Ik weet wel, ook nu houdt een huisarts een gedegen dossier
bij van elke patiënt, ook nu neemt hij zijn verantwoordelijkheid
op inzake preventie en screening. Maar de responsabilisering
neemt toe en op zich is dat toe te juichen, maar puur technisch
en administratief ontbreken ons de middelen. Om een voorbeeld
te geven: ik kan me voorstellen dat de overheid over enkele
jaren vraagt hoeveel van mijn patiënten tussen 50 en
60 jaar gescreend zijn op borstkanker of hoeveel patiënten
tot vijf jaar oud welke vaccinaties gekregen hebben. Ik vind
dat terechte en relevante vragen, maar ik ben er vandaag nauwelijks
voor uitgerust. Ik vrees dan ook dat er heel veel tijd en
energie in dat soort zaken zal gaan, zodat er voor het therapeutische
nauwelijks nog tijd rest. De toekomst, vrees ik, is aan grotere
associaties van huisartsen, aan centra van samenwerkingsverbanden.
Maar zover zijn we nog niet, terwijl we nu wel al de taken
moeten invullen,” aldus dr. Sturtewagen.
Elementaire geneeskunde
“Een ander actueel dossier vormen de patiëntenrechten.
Ik vind het een evidente zaak, eigen aan de tijd waarin we
leven. Persoonlijk heb ik me nooit boven een patiënt
verheven gevoeld. Contact op gelijkwaardig niveau is vanzelfsprekend.
Ik denk overigens niet dat veel patiënten van hun recht
op inzage in hun dossier gebruik zullen maken. Als dat wel
gebeurt, zullen we voor een goede omkadering moeten zorgen.
Mensen maken zich erg snel zorgen als het hun gezondheid betreft,
ook als er weinig of geen reden toe is. Elk dossier heeft
zijn eigen context en het zal van de huisarts een extra inspanning
vragen om alles te kaderen. Inzage in het dossier is uiteraard
wél een goede zaak als er ernstige onenigheid ontstaat
tussen patiënt en arts. In die gevallen is openheid de
aangewezen weg.
Een belangrijk criterium voor mij persoonlijk is dat we zinvol
bezig zijn als we mensen behandelen én dat we die zinvolheid
ook zoveel als mogelijk kunnen bewijzen. Dat is waar Evidence
Based Medicine op neerkomt. Het klinkt allemaal logisch, maar
vanzelfsprekend is het niet. Meer dan eens heb ik vragen bij
beslissingen van specialisten. Ik spreek ze daar vaak over
aan en ik vraag ze om hun beslissingen te motiveren. Soms
is die motivatie bevredigend, maar andere keren niet en daar
heb ik het dan moeilijk mee. Natuurlijk, als ik naar een specialist
verwijs erken ik dat er betere expertise is. Maar toch eigen
ik me het recht toe om de voorgestelde therapie in vraag te
stellen. Sommigen nemen dat niet in dank af, anderen hebben
er minder problemen mee. Positief is als er een opbouwende
dialoog ontstaat, een goede intellectuele oefening. Soms heeft
een huisarts echt wel een betere kijk op de realiteit. Neem
nu minder begoede mensen waarvan je pertinent weet dat ze
bepaalde medicijnen niet zullen kopen omdat ze simpelweg te
duur zijn. Een specialist houdt daar geen rekening mee en
ik neem het hem of haar ook niet kwalijk. Maar een huisarts
heeft daar een belangrijke taak te vervullen. Het gaat hier
om dat directe, intermenselijke contact dat mij altijd gedreven
heeft. Ik ben bang dat we dat aan het verliezen zijn. Ik heb
geen heimwee naar vroeger tijden, maar op dit vlak vrees ik
voor een verlies aan elementaire geneeskunde.”
|