Dr. Jean Pierre Sturtewagen: “De huisarts van de toekomst zal vooral aan preventie en screening doen.”
 
 
De mening van de huisarts: dr. Jean Pierre Sturtewagen
“De huisarts van vandaag ten dode opgeschreven?”
Geboren en getogen in Gent studeerde dokter Jean Pierre Sturtewagen aan de RUG, waarna hij een solopraktijk startte aan de Meulesteedsesteenweg in de buurt van de Muide. Als huisarts is dr. Sturtewagen op diverse terreinen actief. Over een aantal thema’s houdt hij er bovendien een gefundeerde opvatting op na. En dat is altijd mooi meegenomen voor een goed gesprek.

“Het is toeval dat ik hier aan de Meulesteedsesteenweg mijn praktijk heb”, vertelt dr. Sturtewagen. “Tweeëntwintig jaar geleden was je als beginnend huisarts niet overal even welkom. De concurrentie speelde heel erg en gevestigde huisartsen waren bang om patiënten te verliezen als er een nieuwkomer was. Zo zie je maar: vandaag de dag worden beginnende huisartsen met toeters en trompetten binnengehaald, blij dat er versterking is. Toen ik afstudeerde kwam er een huis vrij aan de Meulesteedsesteenweg en in de buurt dacht een huisarts eraan om met pensioen te gaan. Ik heb de gelegenheid te baat genomen. Ik voel me goed in deze “ruige” buurt. Ik heb er nog nooit problemen gehad. Ik weet dat veiligheid een actueel thema is, ook bij huisartsen, maar wat mij betreft is dat soms wat overroepen. Dat er af en toe iets gebeurt is onvermijdelijk, maar onveilig voel ik me zelden.

Ik heb me geëngageerd in diverse verenigingen, waaronder de Huisartsenkring Gent Centrum, de Huisartsen Vereniging Gent en de werkgroep Formularium van het OCMW. Het eigene aan engagement is dat je weet waar het begint, maar niet waar het ophoudt. Ik kan moeilijk neen zeggen en de mensen weten dat. Ik neem dat engagement graag op, ik zou het niet meer kunnen missen. Het verplicht je om de literatuur bij te houden en het scherpt je kritische geest. In de Huisartsenkring Gent Centrum ben ik sinds kort coördinator van de nascholing. Om de twee weken organiseren we een avond rond een praktisch en huisartsgericht thema. Mijn persoonlijke interesse gaat vooral uit naar de pneumologie en naar preventie als onderdeel van het huisartsenprogramma.”

Het paard van Troje
“Net op het gebied van preventie is er heel wat aan het veranderen”, meent dr. Sturtewagen. “Ik vrees dat het Globaal Medisch Dossier, dat sinds 1 mei veralgemeend is, wel eens een paard van Troje zou kunnen zijn. Voor enkele euro’s meer halen de huisartsen zich een enorme verantwoordelijkheid op de hals wat preventie en screening betreft. Het is vandaag moeilijk in te schatten hoe ver die responsabilisering zal leiden. Het uiteindelijke doel van het GMD is een correcte follow-up van elke patiënt. Met het GMD is er de theoretische zekerheid dat we de patiënt niet alleen goed volgen, maar dat we ook een impact hebben op zijn gedrag, op zijn eigen individueel gezondheidsbeleid. Méér nog dan vroeger zal de huisarts initiatieven moeten nemen op het gebied van preventie en screening. Stel dat er bij een patiënte van 55 jaar bij wie geen screening gebeurd is borstkanker wordt vastgesteld. Hoe ver reikt dan de verantwoordelijkheid van de huisarts? Hoe zwaar weegt dit juridisch allemaal? Deze vragen hebben geen duidelijk antwoord.
Let wel: ik ben blij dat het GMD er is en dat de huisarts als spilfiguur bevestigd wordt. Alleen ontbreken al te vaak de middelen om de toegewezen taken op te nemen. Er is dringend nood aan een vlot bruikbaar Elektronisch Medisch Dossier. Het huidige probleem is een gebrek aan compatibiliteit tussen de diverse informaticaprogramma’s. Het is hoogtijd dat er een standaard met mininumvereisten komt. Naar verluidt wordt daar op ministerieel niveau aan gewerkt. En als die standaard er is, dan zal er ook een financiële incentive nodig zijn om de huisartsen zo snel als mogelijk op het goede informaticaspoor te zetten. Ik hoop dat de overheid dat inziet, al vrees ik dat de 13 euro en 5 cent van het GMD in informatica-investeringen op zullen gaan.”

Gezondheidswerkers
“Mijn grootste motivatie om huisarts te worden was de behoefte aan afwisseling en aan direct intermenselijk contact. Het zijn nog altijd de belangrijkste redenen waarom ik van mijn werk hou. Maar als je me vraagt of ik zou herbeginnen, dan knaagt de twijfel. Ik vrees dat de huisartsgeneeskunde zoals die nu bestaat ten dode opgeschreven is. Wat er in de plaats zal komen is nog erg onzeker. Kom je over vijf of tien jaar nog eens terug voor een interview, dan krijg je gegarandeerd een heel ander verhaal te horen. Zoals we nu werken is het praktisch en materieel niet lang meer houdbaar. Volgens mij zal de huisarts van de toekomst een gezondheidswerker zijn die vooral aan preventie en screening doet, terwijl het therapeutische luik geheel en al in gespecialiseerde centra plaats zal vinden, misschien ten dele bemand door huisartsen. En misschien is dat niet eens zo’n slechte evolutie voor de gezondheidszorg. Het zou een oplossing kunnen zijn voor de dure apparaten en de strenge eisen waar solo-artsen nog nauwelijks aan kunnen beantwoorden als ze hun taak serieus nemen. Alleen, dat is niet mijn ding. Ik zou daar niet gelukkig mee zijn. Ik zie mezelf niet in de eerste plaats als een doorverwijzer.
Ik weet wel, ook nu houdt een huisarts een gedegen dossier bij van elke patiënt, ook nu neemt hij zijn verantwoordelijkheid op inzake preventie en screening. Maar de responsabilisering neemt toe en op zich is dat toe te juichen, maar puur technisch en administratief ontbreken ons de middelen. Om een voorbeeld te geven: ik kan me voorstellen dat de overheid over enkele jaren vraagt hoeveel van mijn patiënten tussen 50 en 60 jaar gescreend zijn op borstkanker of hoeveel patiënten tot vijf jaar oud welke vaccinaties gekregen hebben. Ik vind dat terechte en relevante vragen, maar ik ben er vandaag nauwelijks voor uitgerust. Ik vrees dan ook dat er heel veel tijd en energie in dat soort zaken zal gaan, zodat er voor het therapeutische nauwelijks nog tijd rest. De toekomst, vrees ik, is aan grotere associaties van huisartsen, aan centra van samenwerkingsverbanden. Maar zover zijn we nog niet, terwijl we nu wel al de taken moeten invullen,” aldus dr. Sturtewagen.

Elementaire geneeskunde
“Een ander actueel dossier vormen de patiëntenrechten. Ik vind het een evidente zaak, eigen aan de tijd waarin we leven. Persoonlijk heb ik me nooit boven een patiënt verheven gevoeld. Contact op gelijkwaardig niveau is vanzelfsprekend. Ik denk overigens niet dat veel patiënten van hun recht op inzage in hun dossier gebruik zullen maken. Als dat wel gebeurt, zullen we voor een goede omkadering moeten zorgen. Mensen maken zich erg snel zorgen als het hun gezondheid betreft, ook als er weinig of geen reden toe is. Elk dossier heeft zijn eigen context en het zal van de huisarts een extra inspanning vragen om alles te kaderen. Inzage in het dossier is uiteraard wél een goede zaak als er ernstige onenigheid ontstaat tussen patiënt en arts. In die gevallen is openheid de aangewezen weg.
Een belangrijk criterium voor mij persoonlijk is dat we zinvol bezig zijn als we mensen behandelen én dat we die zinvolheid ook zoveel als mogelijk kunnen bewijzen. Dat is waar Evidence Based Medicine op neerkomt. Het klinkt allemaal logisch, maar vanzelfsprekend is het niet. Meer dan eens heb ik vragen bij beslissingen van specialisten. Ik spreek ze daar vaak over aan en ik vraag ze om hun beslissingen te motiveren. Soms is die motivatie bevredigend, maar andere keren niet en daar heb ik het dan moeilijk mee. Natuurlijk, als ik naar een specialist verwijs erken ik dat er betere expertise is. Maar toch eigen ik me het recht toe om de voorgestelde therapie in vraag te stellen. Sommigen nemen dat niet in dank af, anderen hebben er minder problemen mee. Positief is als er een opbouwende dialoog ontstaat, een goede intellectuele oefening. Soms heeft een huisarts echt wel een betere kijk op de realiteit. Neem nu minder begoede mensen waarvan je pertinent weet dat ze bepaalde medicijnen niet zullen kopen omdat ze simpelweg te duur zijn. Een specialist houdt daar geen rekening mee en ik neem het hem of haar ook niet kwalijk. Maar een huisarts heeft daar een belangrijke taak te vervullen. Het gaat hier om dat directe, intermenselijke contact dat mij altijd gedreven heeft. Ik ben bang dat we dat aan het verliezen zijn. Ik heb geen heimwee naar vroeger tijden, maar op dit vlak vrees ik voor een verlies aan elementaire geneeskunde.”

F.D. – juni 2002