|
Al in 1993 werd er gepleit om tabula rasa te maken en een
totaal nieuw financieringssysteem uit te werken.(*) De voorstellen
die toen geformuleerd werden, zijn nog altijd actueel. Zo
pleitte de denkgroep voor voldoende ruimte voor beheersverantwoordelijkheid.
In het huidige systeem zijn ziekenhuizen immers wel juridisch
en financieel verantwoordelijk, maar het bedrijfsresultaat
is in belangrijke mate het gevolg van overheidsbeslissingen.
Dit is een externe factor, waarop het management geen invloed
kan uitoefenen. Beter ware een oorzakelijk verband tussen
beheersbeslissingen en bedrijfsresultaat. Financiële
overschotten zouden dan binnen de instelling blijven, eventuele
tekorten zouden zelf gefinancierd moeten worden.
Een tweede voorstel was dat het budget van een ziekenhuis
moest volstaan om de continuïteit van de zorgverlening
te garanderen. Met andere woorden: er moet een einde komen
aan de structurele onderfinanciering, zodat het (financiële)
spanningsveld tussen ziekenhuisbeheer en artsen verdwijnt.
Vervolgens werd een prijs “all-in” aanbevolen,
een financiering op basis van activiteitengroepen. Een activiteitengroep
is gerelateerd aan een bepaalde diagnose en omvat alle deeltaken
(zorg, maaltijden, bloedtesten, radiografieën, consultaties,
operaties) die nodig zijn voor de standaardzorg voor een diagnose.
Voor elke activiteitengroep wordt een vast bedrag ter beschikking
gesteld, dat identiek is voor alle ziekenhuizen, onafhankelijk
van het werkelijk aantal deeltaken (bijvoorbeeld het aantal
bloedafnames dat werd uitgevoerd).
De denkgroep pleitte ook voor een open-ended budget, een systeem
van output-budgetfinanciering. Per eenheid output krijgt een
ziekenhuis een globaal budget ter beschikking. Hoe meer zorg
de ziekenhuizen moeten leveren, hoe groter het budget dat
de overheid moet voorzien. Met een dergelijk systeem hoeven
zich geen zware problemen van groeiende uitgaven voor te doen.
De mogelijkheid tot overproductie is beperkter op het vlak
van activiteitengroepen dan van huidige acten. Het aantal
myocardinfarcten, bevallingen, etc… is minder vatbaar
voor manipulatie dan het aantal bloedafnames.
Tenslotte vraagt de sector al jaren een eenheidsstatuut voor
de ziekenhuizen. Uit een enquête onder algemeen directeurs
van Vlaamse ziekenhuizen in 2000 bleek dat 97% van de private
algemene ziekenhuizen en 86% van de openbare ziekenhuizen
gewonnen zijn voor eenzelfde juridische vorm en eerlijke concurrentie.
Belgisch wonder
Zoals in het editoriaal van deze Focus al aangegeven is, staat
de nieuwe ziekenhuisfinanciering een goed beleid van de ziekenhuizen
in de weg. Nochtans is een werkbare ziekenhuiswet meer dan
ooit vandoen. De veranderingen waar ziekenhuizen vandaag voor
staan, zijn niet van de poes. Maar wat zien we: de duale financiering
en de onderfinanciering zetten artsen en ziekenhuisbeheer
tegen elkaar op; de doelstellingen van de overheid (beter:
de overheden) zijn allesbehalve helder; een transparante regelgeving
ontbreekt en van een gelijke behandeling van de ziekenhuizen
(en onrechtstreeks dus ook van de patiënten) is vooralsnog
geen sprake.
Wat die transparantie betreft: het geeft niet alleen intellectuele
frustraties niet te weten waarom je een budget toegekend krijgt
en waarom niet. Het levert ook een beleidsstuurloosheid op.
Als je jaren werkt aan een betere registratie, aan een kortere
verblijfsduur, en moeizaam een gedragsverandering bereikt,
dan is het logisch dat de overheid je financieel beloont.
Maar heeft ooit iemand aangekondigd dat wie veel met derdebetaler
werkt financieel gepenaliseerd zou worden?
Good governance veronderstelt transparante regelgeving, een
logische band tussen doelstelling en regel. Het is de doelstelling
die de regel zijn betekenis geeft. En zoals Jürgen Habermas
het stelde: regels die de band met de rationaliteit verliezen
zijn niet alleen ondoeltreffend, maar ook ondemocratisch.
Rationaliteit, het verwoorden van heldere, expliciete doelen,
is de voorwaarde voor rechtszekerheid, ja zelfs voor bestuurbaarheid
van organisaties.
De basis waarop minister Frank Vandenbroucke zijn nieuwe financiering
wou grondvesten, stond bol van de goede principes: verantwoorde
bedden en daarmee gepaard gaande verantwoorde activiteit;
aandacht voor het sociaal profiel; integratie dagziekenhuis;
budgetfinanciering; deels gegarandeerde financiering en voorlopige
twaalfden. In de omzetting van de principes naar de financiële
realiteit is echter heel wat misgelopen. Het ziet ernaar uit
dat de overheid dan toch opteert om het arenamodel in stand
te houden: laat de problemen van budgetbeperking lokaal tussen
de actoren uitvechten. Het mag een Belgisch wonder heten dat
dit vandaag nog lukt.
Overheid als goed bestuurder
Hoe kan het eigenlijk dat de nieuwe ziekenhuisfinanciering
als werkinstrument zo zwak uitvalt? Opnieuw geraken we al
een stuk verder als we de principes van good governance erbij
halen. Hoe zit het bijvoorbeeld met de maatschappelijke legitimering?
Ervan uitgaand dat binnen de budgetbeperking niet alles kan,
moet er dan geen maatschappelijk debat komen
om bewuste keuzes te maken in plaats van
de verantwoordelijkheid hiervoor door te schuiven naar de
individuele ziekenhuizen?
Een ander principe van goed overheidsbeleid vormt de kwaliteit
van de doelstellingen. Die moeten Specifiek, Meetbaar, Aanvaardbaar,
Realistisch en aan een Timing gebonden zijn (SMART). De doelstellingen
van de nieuwe ziekenhuisfinanciering luiden: “eenvoudige,
transparante en billijke financiering”. Niets over meetbaatheid,
niets over timing. Er wordt niet eens een band gelegd tussen
financiering en kwaliteit! Nu, het kenmerk van dergelijk vage
doelstellingen, is dat iedereen ermee akkoord gaat vooraf,
maar dat niemand tevreden is achteraf, omdat de verwachtingen
nu éénmaal anders waren. Goede doelstellingen
creëren geen verkeerde verwachtingen.
Ook gepaste bevoegdheidsverdeling is een
belangrijk criterium om goed overheidsbestuur te beoordelen.
Op korte termijn moet het gezondheidsbeleid onder één
bevoegdheid geplaatst worden. Scheiding van financiering van
o.m. andere fundamentele aspecten van de zorg is om beheersmatige
knelpunten vragen.
Tenslotte is ook interne controle onontbeerlijk bij goed overheidsbestuur.
Is die er? Dat valt te betwijfelen. Beschikt de overheid bijvoorbeeld
wel over voldoende betrouwbare informatie om over dergelijke
belangrijke herallocaties van middelen te beslissen? En wat
te denken van interne controle als we de versplintering in
bevoegdheden zien? Zijn er sluitende procedures om fouten
te voorkomen? (Wat indien zou blijken dat er meerdere fouten
in de berekeningen en de resultaten zitten of – nog
erger – dat er verborgen gebreken in aanwezig zijn?)
Effectieve controle is overigens quasi onmogelijk als de doelstellingen
zo vaag, onmeetbaar en zonder timing zijn.
Conclusie
De ziekenhuizen staan voor grote uitdagingen. Ze zijn bereid
hun organisatie te herstructureren, samen te werken met andere
partners en verantwoording af te leggen over hun beleid. Daartoe
moeten ze evenwel kunnen rekenen op een werkbare ziekenhuisfinanciering,
iets wat vandaag ontbreekt. De nieuwe financiering vertoont
immers tal van fundamentele gebreken. De wijze waarop ze tot
stand is gekomen, is dan ook een schoolvoorbeeld van hoe het
niet moet: diverse principes van goed overheidsbestuur zijn
met de voeten getreden. Nochtans bestaan er goede alternatieven
voor een aangepast financieringssysteem. De krachtlijnen hiervoor
zijn: voldoende ruimte voor beheersverantwoordelijkheid, voldoende
financieringsmiddelen voor de hotel-en verzorgingskost, een
all-in prijs, een open-ended budget en een éénheidsstatuut
voor alle ziekenhuizen. Er is nog werk aan de winkel!
Peter Degadt, algemeen directeur –
december 2002
Dit artikel is een samenvattende bewerking van de voordracht
“De nieuwe ziekenhuisfinanciering: toetsing aan principes
van goed beheer” die Peter Degadt en Gustaaf Van Herck
gezamenlijk hielden op een studiedag op 8 november jl. in
Leuven.
(*) “Krachtlijnen voor een alternatief
financieringssysteem”, Acta Hospitalia, 1993/1, pp 53-62.
Auteurs: G. Evers, N. Kempeneers, K. Kesteloot, W. Van der
Wee, G. Van Herck, P. Vankersschaever, P. Waterbley.
|