Waakzaamheid meer dan ooit geboden
MRSA, een verhaal zonder einde!?
Onheilspellende berichten over MRSA duiken de jongste maanden her en der op. Niet helemaal onterecht overigens, want de situatie is ernstig. Tot enkele jaren geleden kon MRSA vrij doeltreffend behandeld worden met het antibioticum vancomycine. In 1996 luidde een eerste keer de alarmbel, toen de VISA-variant van de ziekenhuisbacterie niet meer zo gevoelig bleek voor antibiotica. Halfweg vorig jaar werd dan in de Verenigde Staten de eerste VRSA gesignaleerd, een variant van de ziekenhuisbacterie die helemaal resistent is. Meer dan ooit is waakzaamheid geboden voor alle actoren.

Elk semester geven de Belgische ziekenhuizen, weliswaar op vrijwillige basis, hun MRSA (Methicilline resistente Staphylococcus aureus) gegevens door aan het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid – Louis Pasteur (WIV-LP). Op basis hiervan wordt een trendanalyse uitgevoerd. Deze registratie loopt sinds 1994 en mede door de stijgende deelname van de Belgische ziekenhuizen en de gestandaardiseerde registratiemethode wordt een vrij correct beeld van de reële toestand verkregen. Ook het AZ Sint Lucas werkt aan deze registratie mee sinds de beginfase.

MRSA blijft een frequente nosocomiale (tot het ziekenhuis behorende) pathogeen (ziekteverwekker) op wereldschaal. Sommige stammen, die we dan e(pidemisch)-MRSA noemen, zijn in staat zich snel te verspreiden binnen en tussen de ziekenhuizen over grote geografische gebieden. Dit gebeurt voornamelijk door (inter)nationale transfers van patiënten (en gezondheidswerkers) tussen de ziekenhuizen.

Tot nu worden de glycopeptiden, en vancomycine (Vancocin®) in het bijzonder, aanvaard als de eerstelijnsbehandeling voor MRSA-infecties (niet bij kolonisaties). In 1996 werd de eerste VISA (vancomycine intermediaire Staphylococcus aureus) beschreven in Japan. Ondertussen zijn er meerdere gevallen beschreven in de Verenigde Staten en Europa, waarbij de patiënt, meestal na herhaalde of langdurige vancomycine-therapie een VISA op de plaats van infectie ontwikkelt.

In België worden VISA’s gerapporteerd op beperkte schaal binnen een risicopopulatie. Het resistentiemechanisme tegen vancomycine bij deze VISA’s is gebaseerd op een verdikking van de celwand van de bacterie, waardoor het antibioticum minder goed in de bacterie kan penetreren. Dit mechanisme wordt meestal geactiveerd na langdurige therapie met vancomycine. De genetische basis hiervoor is niet helemaal duidelijk en deze resistentie wordt niet overgeërfd van de ene bacteriepopulatie op de andere.

In juni 2002 werd de eerste VRSA (vancomycine resistente Staphylococcus aureus) geïsoleerd in de Verenigde Staten. Dit stelde niet alleen problemen wat betreft de behandeling van de patiënt, maar bracht meteen ook slecht nieuws in de infectiologische wereld toen het resistentiemechanisme van deze VRSA bekend werd gemaakt. Het bleek namelijk over een genetisch welbepaald mechanisme te gaan afkomstig van de reeds langer bekende (maar in België geen klinisch probleem vormende) GRE (glycopeptiden resistente enterococcen).

Dit wil zeggen dat overdracht van resistentiemechanismen tussen verschillende species (staphylococ en streptococ) is opgetreden om pathogeen vermogen van de stafylococ te verscherpen. Dit wil ook zeggen dat één van onze belangrijkste wapens tegen de multiresistente stafylococ, vancomycine, volledig onwerkzaam wordt.

De cirkel is hierdoor bijna rond. Na het initiële succes van penicilline in de behandeling van stafylococceninfecties, werden in de jaren 50 meer en meer penicilline resistente stafylococcen beschreven. De komst van de penicillinase bestendige penicillines (cloxacilline, flucloxacilline) hebben toen een ramp kunnen voorkomen. Het ontstaan van de MRSA’s in de 80-iger jaren werd gecounterd door het gebruik van glycopeptiden, vancomycine en teicoplanine. Deze antibiotica zijn veel duurder, veel meer toxisch, en zeker niet werkzamer dan de penicillines.
Nu (of binnenkort) worden we geconfronteerd met VISA en VRSA en hebben we GEEN nieuwe groep antibiotica meer klaarstaan.

Deze situatie maakt het voorkomen van de verspreiding van infecties binnen en buiten het ziekenhuis nog belangrijker dan het voor AZ Sint-Lucas tot nu toe al was. Het team ziekenhuishygiëne (arts en verpleegkundige) is van bij de fusie in 1998, vertrekkende van de bestaande werking in de aparte ziekenhuizen, verder uitgebouwd. Eenzelfde samenwerking wordt nu verwezenlijkt met AZ Volkskliniek. De directie van AZ Sint-Lucas heeft steeds de werking van de ziekenhuishygiëne ondersteund en voor uitbreiding gezorgd naar aanleiding van de aanpassingen in de wet en de reële behoeften van een groeiend ziekenhuis.

Zo bijvoorbeeld verscheen in het staatsblad van 25.04.2002 een nieuw KB, waarin de oprichting van een antibioticabeleidsgroep (ABG) wordt verplicht in elk ziekenhuis. Ook is elk ziekenhuis verplicht een antibioticabeleidsverantwoordelijke te hebben, die zich speciaal in deze materie bekwaamt. Samen met de geneesheer-ziekenhuishygiënist moet de antibioticabeleidsverantwoordelijke de ernst, het aantal en de behandelingskost van ziekenhuisinfecties bestrijden. In AZ Sint-Lucas is dr. Dirk Ommeslag hiervoor benoemd.
Het KB zou eind 2003 in voege treden. AZ Sint-Lucas heeft er echter voor geopteerd om niet te talmen en meteen van wal te steken met een pilootproject dat loopt sinds 1 oktober 2002. Dit houdt onder meer in dat op een aantal afdelingen het antibioticabeleid nauwlettend wordt gevolgd en dat waar nodig wijzigingen worden gesuggereerd aan de behandelende arts.
Naast dr. Dirk Ommeslag (pneumoloog) bestaat de antibioticabeleidsgroep uit
dr. Anne-Marie Van den Abeele (microbioloog), dr. Dirk Rijckaert (diensthoofd intensieve zorgen) en apotheker Marielle Baert (hoofdapotheker).

Dr. Anne-Marie Van den Abeele – maart 2003