|
Er zijn pogingen om de resultaten van verschillende heupsystemen
in kaart te brengen, zoals in het “Swedish national
hip arthroplasty register”. Wereldwijd schat men dat
er ongeveer 800.000 heupprothesen per jaar worden geplaatst.
Tot voor kort werd de techniek voorbehouden voor de “oudere
patiënt”. De uitdaging van de heupprothese vandaag
is de (relatief) jongere patiënt met een destructief
gewricht. Het is bekend dat deze patiëntengroep het niet
goed deed met een “klassieke” totale heupprothese.
De klassieke heupprothese bestaat uit een acetabulaire cup,
een gewrichtspan gecementeerd of press fit ongecementeerd
geplaatst. Ter hoogte van de femur wordt een steel geplaatst
weerom gecementeerd of ongecementeerd. Op die steel wordt
een kopje geplaatst, de kogel van het kogelgewricht.
Het prille begin...
Rond 1930 ontwikkelde en plaatste Phillip Wiles van het Middlesex
Hospital (London, UK) de eerste totale heupprothesen. Voordien
bestond de techniek uit het vervangen van de heupkop alleen
(hemiarthroplastie), met onbevredigende resultaten.
De resultaten van Wiles gingen verloren tijdens de Tweede
Wereldoorlog, maar er waren patiënten bekend die 35 jaar
na de ingreep nog steeds deze prothese ter plaatse hadden.
Een studiegenoot, G.K. McKee, ontwikkelde verschillende prototypes
en stelde zijn resultaten voor in 1951. Ze werden gekenmerkt
door vroegtijdige loslating en mechanische faling, ondanks
de initieel goede pijnbestrijding.
Haboush introduceerde polymethylmethacrylaat (PMMA) voor de
fixatie van de endoprothesen aan het bot in 1953 en de uiteindelijk
beroemd geworden Charnley maakte het gebruik van deze botcement
populair.
De gecementeerde prothese van McKee, de McKee-Farrar, was
in 1960 de eerste internationaal gebruikte totale heupprothese.
Ze bestond uit een Thompsom stem, een chroom cobalt metaal
op metaal gewricht, zowel ter hoogte van het acetabulum als
de femur verankerd door cement.
Professor Sir John Charnley geloofde niet in het succes van
een metaalkoppel. Met laboratoriumproeven toonde hij aan dat
de “elastohydrodynamische” smering van het metalen
koppel onvoldoende was om de torsiekrachten te weerstaan,
zodat de prothese gedoemd was om te falen. Hij begon research
naar “zelfsmerende” materialen en kwam bij de
polymeren terecht. Eerst gebruikte hij Teflon op Teflon, maar
twee jaar na plaatsing dienden de implantaten te worden verwijderd.
Ondanks zijn pogingen (verkleinen van het kopje naar diameter
22.25mm) gingen de falingen verder.
Zijn derde poging bestond uit een gecementeerde steel met
een 22.25 chroom cobalt kopje in een “high density polyethyleen”
cup (HDPE). Dit implantaat deed het wonderbaarlijk goed bij
de oudere patiënten en werd de basis van de evolutie
van tal van prothesen. Ondanks het succes van deze prothese
waarschuwde Charnley voor het gebruik van een totale prothese
bij patiënten jonger dan 65 jaar.
De hoge eisen van jongere patiënten aan hun prothese
deed de wereldwijde consensus ontstaan dat men het plaatsten
van een THP zo lang mogelijk diende uit te stellen. Slechts
de “oudere” of echt kreupele jonge patiënten
konden genieten van deze operatietechniek.
Peter Ring (Redhill) ontwikkelde een volgende generatie heupprothesen.
Hij had weinig vertrouwen in de botcement (PMMA) en ontwierp
een ongecementeerde verankerde prothese met een metaal op
metaal koppel.
Tegen 1970 werden dus drie prothesen wereldwijd geplaatst.
Na verschillende studies overleefde de Charnley en duizenden
chirurgen werden in Wrightington overtuigd dat de Charnley
prothese superieur was.
Het einde van een era
Charnley stierf in de overtuiging dat de metaal op polyethyleen
prothese had gezegevierd. McKee stierf in de overtuiging dat
zijn metaal op metaal prothese terecht werd verslagen door
het Charnley principe. Ring is nog in leven en was in den
beginne ook overtuigd van de superioriteit van metaal op polyethyleen,
maar zag met de jaren de gevolgen van slijtage van de polyethyleen,
de osteolyse door polyethyleendebris, met lede ogen aan. De
slijtagefenomenen had hij bij zijn prothese nooit gezien en
hij beklaagt zich nu dat hij het principe van metaal op metaal
ooit heeft verlaten.
De nieuwe tijden
Ondertussen denken wij beter te weten. De continue strijd
tegen de loslating en de slijtage van de prothesen is nog
altijd aan de gang. Door verbeterde metaallegeringen, betere
cement en cementeertechnieken, ontwikkelen van andere koppels
(ceramiek op ceramiek), sterkere polyethyleen met andere sterilisatietechnieken,
andere fixatietechnieken, poogt men de duurzaamheid van een
totale heupprothese te verlengen en een eventuele noodzakelijke
revisie uit te stellen.
Ondanks de relatief goede resultaten bij de oudere patiënt
(1% revisie per jaar) zijn er resultaten bekend van 9% revisie
na 5 jaar, naargelang de gebruikte prothese en afhankelijk
van het centrum waar ze zijn geplaatst, en 50% revisie over
een verloop van 19 jaar.
De jonge patiënt werd dus “geholpen” door
het tijdsstip van de operatie uit te stellen en pijnstillende
medicatie te nemen, met alle nadelige gevolgen voor zijn gezondheid.
Als een jonge patiënt dan toch niet anders kon worden
geholpen dan met een prothese, werd de patiënt gevraagd
om vooral geen te hoge eisen te stellen aan zijn implantaat.
De BHR, een resurfacement prothese
Momenteel zijn er drie resurfacement prothesen op de markt:
de BHR , de cormet 2000 (C2K) en de Wright Conserve Plus implant.
De Birmingham Hip Resurfacement (resurfacement lijkt mij een
nogal ongelukkig gekozen naam), ontwikkeld door Derek Mc Minn,
beweert aan tal van problemen een oplossing te bieden en heeft
de langste follow-up (meer dan tien jaar).
Ze bestaat uit een metaal op metaal prothese met een superieure
afwerking, met een ongecementeerde kom bekleed met hydroxyapatiet
en een gecementeerde bol op een centrale pin. In tegenstelling
tot een klassieke heup wordt er dus geen steel in het femurkanaal
ingebracht en wordt de femurhals niet gereseceerd.
Het voordeel wordt nu reeds duidelijk. Bij een eventuele
revisie moet de hals slechts gereseceerd worden zonder dat
botdestructie van de femur is opgetreden. Het femurkanaal
is als het ware onaangetast door osteolyse en het lastige
verwijderen van cement uit het femurkanaal wordt vermeden.
Een revisie wordt als het ware een primaire heup.
De technische moeilijkheid bestaat uit het feit dat de kop
en de hals worden bewaard. Dit is vooral hinderlijk bij het
voorbereiden en inbrengen van de cup van het acetabulum, omdat
de hals en de kop zich als het ware in de weg bevinden en
niet worden weggezaagd zoals bij een klassieke THP. Via een
posterieure toegangsweg en een speciale techniek wordt deze
moeilijkheid omzeild.
Als bijkomende voordelen weerhoudt men:
- Minder slijtage van de componenten.
- Zoals gezegd minder destructie van het bot zowel bij de
plaatsing als bij het eventuele verwijderen.
- Minder problemen van beenlengteverschil en minder problemen
met lateralisatie zoals bij varusheupen.
- Blijkbaar ervaren patiënten een betere proprioreceptie.
Een klassieke heup wordt vaak als iets vreemds ervaren alhoewel
de patiënten er geen pijn in voelen. De BHR heeft een
betere proprioreceptie wat de eventuele sportbeoefening
ten goede komt.
- Door de grootte van de kop is er minder kans op luxatie.
- De stresskrachten zijn minder op deze prothese.
- Een uitgebreide mogelijkheid van maten voor een correct
anatomisch herstel.
De prothese vereist weliswaar sterk bot en een niet te fel
gedeformeerde kop. Voor het plaatsen van een dergelijke prothese
is een botdensitometrie dan ook onontbeerlijk.
De indicatie voor een dergelijke prothese is de destructie
van een heupgewricht bij actieve mannen jonger dan 65 jaar
en vrouwen jonger dan 55 jaar.
Osteoporose is een absolute contra-indicatie.
Na het binnenkort op te richten Groepsproject Prothese Chirurgie
(GPC), waarmee de diensten orthopedie AZ Volkskliniek en AZ
Sint-Lucas onder leiding en afvaardiging van dr. Schietse,
dr. Libbrecht en dr. De Wandel starten met een zorgpad voor
knieprothesen (lees hierover meer in de volgende Focus, red.),
kan BHR door zijn korte hospitalisatieduur allicht opgenomen
worden in een tweede zorgpad voor heupprothesechirurgie met
kortverblijf. Een recent geplaatste BHR bij een 30-jarige
patiënt met een destructie van de heup na een fractuur
16 jaar geleden kon ons ziekenhuis immers probleemloos binnen
de week verlaten.
Mede namens de groep orthopedie-traumatologie
|