|
Frida Kahlo
In het jaar 1913 – amper zes jaar oud – wordt
Frida Kahlo door poliomyelitis getroffen. Frida houdt er een
blijvend handicap en een complex aan over: een atrofisch linkerbeen,
pijn én schaamte voor dat ene been dat te mager is.
De jongens en meisjes in de buurt steken de draak met haar
met de ondoordachte wreedheid eigen aan kinderen. Als zij
met haar hooggesloten laarsjes op de fiets voorbijrijdt, roepen
ze haar toe: “Frida, pata de palo” (Frida, mankepoot).
Frida zoekt compensatie voor haar eenzaamheid in droom en
fantasie. Op het raam van haar slaapkamer verschijnt een andere
Frida, haar zuster, haar dubbelgangster, waarvan zij nooit
meer los zou komen. “Haar gezicht herinner ik me niet
meer, lezen wij in haar dagboek, maar ik weet dat zij vrolijk
was. Zij danste alsof zij niets woog. Ik danste met haar mee
en tegelijk vertelde ik haar al mijn geheimen…”
Op een schilderij uit 1939, getiteld De Twee Frida’s,
zitten twee zusjes als een Siamese tweeling hand in hand naast
elkaar, terwijl hun twee zichtbare harten met elkaar verbonden
zijn door dezelfde slagader.
Op 17 september 1925 – ze is dan bijna achttien –
wordt de autobus die haar van school naar huis brengt zijwaarts
geramd door een tram. De gevolgen voor Frida zijn verschrikkelijk:
drie wervelfracturen, ribfracturen, linkersleutelbeenfractuur,
drie bekkenfracturen, het linkerbeen op elf plaatsen gebroken,
de rechtervoet verbrijzeld. De stalen armleuning ging dwars
door haar linkerzij erin en door haar vagina er weer uit.
Maandenlang gekluisterd aan bed, bracht haar vader haar een
schildersezel, verf en borstels. Hij laat een baldakijn bouwen
boven haar bed, met een grote spiegel bij wijze van hemel,
zodat Frida zichzelf kan zien en haar eigen model kan zijn.
Zo wordt voor Frida schilderen een soort autobiografie, een
vorm van therapie, een confrontatie via pijn en lelijkheid
met de waarheid van zelfkennis. Frida toonde zich hard en
vastberaden, maar onder deze bolster schuilde een broze duif,
een fragiele en aanhankelijke ziel.
“De zelfportretten van Kahlo zijn prachtig, om dezelfde
reden als deze van Rembrandt: ze tonen opeenvolgende identiteiten
van een menselijk wezen dat nog niet is, maar aan het worden
is”, schrijft Carlos Fuentes in zijn inleiding van het
dagboek van Frida Kahlo.
In spot en zwarte humor – typisch voor Mexicanen- en
dankzij de schilderkunst als bestaansreden vindt Frida de
ongelooflijke energie om haar wanhoop en pijn de baas te worden.
Zij leert de betekenis kennen van de Mexicaanse uitdrukking:
aguantar, “pijn verdragen”. “Het enige goede
nieuws is, dat ik nu aan de pijn begin te wennen”, schrijft
zij op 5 december 1925.
Haar hele leven zet de lijdensweg zich door: in totaal 35
operaties aan rug en rechterbeen. Gangreen, amputatie van
de tenen en in 1950 amputatie van heel het rechterbeen. “It
seemed to me centuries of torture and at times I nearly went
crazy.” Zij zou overlijden in 1954 op de leeftijd van
47 jaar.
Meer nog dan door de fysische pijnen werd zij diep gekwetst
door het overspel van haar man, Diego Rivera, een gevierd
schilder van fresco’s, met haar één jaar
jongere zuster, Cristina. Haar schilderijen worden donkerder
en wreder. Zij knipt haar haar af en gooit zich te pletter
in tequila en mezcal, pleegt suicide maar belooft dit niet
te herhalen als zij het radeloos verdriet van Diego ziet.
Het enige lichtpunt was de uiteindelijke erkenning van haar
geniale schilderkunst in eigen land met de tentoonstelling
van 1953 waar zij met bed en al naar toe werd gebracht. Kunst
was voor Frida Kahlo haar enige integriteit, het enige middel
om de ruïne van haar lichaam en van haar gevoelens met
het lijden, dat liefde met zich meebrengt, te overleven.
Pijn en depressie
Waarnemen is zoveel meer dan louter registreren. Emoties zoals
spanning, angst, irritatie, kwaadheid, verdriet, gevoelens
van onmacht en wanhoop modificeren het waarnemen van pijn.
Emoties zijn zelf ingebed in de karakteriële structuur
en bovendien geënt op leerervaringen. Ieder van ons leerde
op zijn manier omgaan met pijn, de pijndrempel is persoonlijk.
Welk is de toonaard van de pijn en hoe label je de pijn? Is
de pijn scherp, bijtend, knagend, onverdraaglijk?… De
ene persoon gaat al vlugger bij de arts dan een andere met
dezelfde kwaal. Zo zie je maar hoe persoonlijkheid, cultuur
en geloof, lichaamsbeleving, verwachtingen, normen en waarden
een invloed hebben op de impact van de pijn op het leven.
Pijn vertaalt zich in motoriek: denk maar aan uitdrukkingen
als “verkrampen van de pijn”. Pijn kan gepaard
gaan met “iets doen” of “niets doen, bij
de pakken blijven zitten als het ware”.
Gebukt onder pijn riskeert de “wereld” in te krimpen:
partner, gezin, werk, vrienden, sociale activiteiten geraken
op de achtergrond. Centraal wordt alles wat met pijn in verband
staat: dokters, polyfarmacie en herhaalde ingrepen. Plezierige
gebeurtenissen, aangename vooruitzichten en toekomstplannen
zijn voor de chronische pijnpatiënt vaak niet meer weggelegd.
Terneergedrukt, gedeprimeerd zijn – wij spreken soms
van dysforie – vloeit als het ware per definitie voort
uit de chronische pijnervaring. Gedeprimeerd zijn betekent
(nog) geen depressie, hoewel de neurovegetatieve verschijnselen
gelijkaardig zijn, met name het verlies aan energie, moeheid,
concentratieverlies, initiatiefverlies, eetlustverlies, gewichtsverlies,
libidoverlies, slaapstoornissen en sociaal isolement. Bij
depressie verdwijnt elke mogelijkheid tot genieten, er is
geen toekomst meer, suicidegedachten zijn aanwezig maar soms
zijn wij té beschroomd om ernaar te informeren uit
schrik om één en ander te bevorderen, wat onterecht
is. Op de vraag of zij al eens de gedachte hadden nooit meer
wakker te worden, reageren de mensen doorgaans opgelucht ook
in deze dimensie gehoor te vinden.
Pijn en depressie hebben wederkerige effecten. Pijn brengt
zorgen en pessimisme teweeg, terwijl depressie de capaciteiten
van de patiënt om om te gaan met de pijn ondergraaft.
Omdat het woord depressie nog steeds negatief geladen is,
alsof het een tekort aan wilskracht zou betekenen, zal de
patiënt wel alle klachten aan de pijn toeschrijven: het
is zijn pijn (en niet een eventuele voorafbestaande of later
opgetreden depressie) die hem belet in slaap te geraken, die
hem ’s morgens om vier uur wakker maakt. Het is de pijn
die hem van alle energie beroofd heeft, hem teneerdrukt, hem
belet seksueel actief te zijn, te werken, enz.
Hoe chronische pijn en depressie verweven zijn, lichamelijke
en psychische pijn, vinden wij in het taalgebruik terug: de
oude Romeinse wijsgeer Publius Syrus schreef in de eerste
eeuw voor Christus: “de pijn in de geest is erger dan
de pijn in het lichaam”. Freud vond het niet toevallig
dat het woord pijn zowel voor de psychische beleving van rouw
en depressie, als voor lichamelijke pijn wordt gebruikt. De
Franse woorden douleur en deuil bevatten dezelfde etymologische
wortel, afkomstig van het Latijnse “dolere”, wat
pijn lijden betekent maar ook smart voelen.
Vanuit psycho-analytische hoek wordt de gemeenschappelijke
noemer benadrukt tussen pijn en depressie: beide verwijzen
naar zelfbestraffing (het woord pijn is afkomstig van het
Latijnse poena=straf). Zowel depressieve als chronische pijnpatiënten
vertonen inderdaad vaak massieve schuldgevoelens en op zichzelf
gerichte agressie.
Vanuit biologisch-psychiatrische hoek blijkt zowel bij depressie
als bij chronische pijnpatiënten een tekort aan endogene
opiaten en serotonine te bestaan. Het zijn trouwens vooral
de antidepressiva met overwegend serotonerge activiteit die
een gunstig effect hebben. Een proeftherapie kan aangewezen
zijn bij chronische pijnpatiënten – onafhankelijk
van het feit of ze al dan niet manifest depressief zijn. Een
panacee is het evenmin. Een goed gesprek, goede slaap en voldoende
beweging zullen endorfine en serotonine ook verhogen, evenals
een positieve kijk op de toekomst.
Graag eindig ik met de volgende woorden van Frida Kahlo uit
haar dagboek: “In spite of my long illness I feel immense
joy in LIVING”.
Met dank aan de professoren J. Vinck, B. Van Houdenhove
en M. Bogaert.
|