De Twee Frida’s, 1938
 
 
Pijn en depressie
La paloma negra, gedachten bij het werk van Frida Kahlo
Pijn is het meest voorkomende symptoom in de geneeskunde en belangt dan ook alle practici aan. Pijn is een complexe ervaring. Chronische pijn overheerst al onze andere gevoelens, waarnemingen en gedachten. De fixatie op de pijn zal aandacht en geheugen verstoren. Kortom: heel ons gedrag wordt erdoor bepaald, de pijn neemt ons totaal in beslag. In de acute pijnervaring hebben wij een lichaamsdeel dat pijn doet, in de chronische pijnervaring zijn we een lichaam dat helemaal pijn doet. In filosofische termen uitgedrukt: chronische pijn is veel meer dan acute pijn een existentiële ervaring. Hoezeer pijn de existentie aantast, kunnen wij volgen in het levensverhaal van Frida Kahlo (°1907-1954), recent verfilmd door Julie Taymor en vertolkt door Selma Hayek.

Frida Kahlo
In het jaar 1913 – amper zes jaar oud – wordt Frida Kahlo door poliomyelitis getroffen. Frida houdt er een blijvend handicap en een complex aan over: een atrofisch linkerbeen, pijn én schaamte voor dat ene been dat te mager is. De jongens en meisjes in de buurt steken de draak met haar met de ondoordachte wreedheid eigen aan kinderen. Als zij met haar hooggesloten laarsjes op de fiets voorbijrijdt, roepen ze haar toe: “Frida, pata de palo” (Frida, mankepoot). Frida zoekt compensatie voor haar eenzaamheid in droom en fantasie. Op het raam van haar slaapkamer verschijnt een andere Frida, haar zuster, haar dubbelgangster, waarvan zij nooit meer los zou komen. “Haar gezicht herinner ik me niet meer, lezen wij in haar dagboek, maar ik weet dat zij vrolijk was. Zij danste alsof zij niets woog. Ik danste met haar mee en tegelijk vertelde ik haar al mijn geheimen…”
Op een schilderij uit 1939, getiteld De Twee Frida’s, zitten twee zusjes als een Siamese tweeling hand in hand naast elkaar, terwijl hun twee zichtbare harten met elkaar verbonden zijn door dezelfde slagader.
Op 17 september 1925 – ze is dan bijna achttien – wordt de autobus die haar van school naar huis brengt zijwaarts geramd door een tram. De gevolgen voor Frida zijn verschrikkelijk: drie wervelfracturen, ribfracturen, linkersleutelbeenfractuur, drie bekkenfracturen, het linkerbeen op elf plaatsen gebroken, de rechtervoet verbrijzeld. De stalen armleuning ging dwars door haar linkerzij erin en door haar vagina er weer uit.
Maandenlang gekluisterd aan bed, bracht haar vader haar een schildersezel, verf en borstels. Hij laat een baldakijn bouwen boven haar bed, met een grote spiegel bij wijze van hemel, zodat Frida zichzelf kan zien en haar eigen model kan zijn. Zo wordt voor Frida schilderen een soort autobiografie, een vorm van therapie, een confrontatie via pijn en lelijkheid met de waarheid van zelfkennis. Frida toonde zich hard en vastberaden, maar onder deze bolster schuilde een broze duif, een fragiele en aanhankelijke ziel.
“De zelfportretten van Kahlo zijn prachtig, om dezelfde reden als deze van Rembrandt: ze tonen opeenvolgende identiteiten van een menselijk wezen dat nog niet is, maar aan het worden is”, schrijft Carlos Fuentes in zijn inleiding van het dagboek van Frida Kahlo.
In spot en zwarte humor – typisch voor Mexicanen- en dankzij de schilderkunst als bestaansreden vindt Frida de ongelooflijke energie om haar wanhoop en pijn de baas te worden. Zij leert de betekenis kennen van de Mexicaanse uitdrukking: aguantar, “pijn verdragen”. “Het enige goede nieuws is, dat ik nu aan de pijn begin te wennen”, schrijft zij op 5 december 1925.
Haar hele leven zet de lijdensweg zich door: in totaal 35 operaties aan rug en rechterbeen. Gangreen, amputatie van de tenen en in 1950 amputatie van heel het rechterbeen. “It seemed to me centuries of torture and at times I nearly went crazy.” Zij zou overlijden in 1954 op de leeftijd van 47 jaar.
Meer nog dan door de fysische pijnen werd zij diep gekwetst door het overspel van haar man, Diego Rivera, een gevierd schilder van fresco’s, met haar één jaar jongere zuster, Cristina. Haar schilderijen worden donkerder en wreder. Zij knipt haar haar af en gooit zich te pletter in tequila en mezcal, pleegt suicide maar belooft dit niet te herhalen als zij het radeloos verdriet van Diego ziet. Het enige lichtpunt was de uiteindelijke erkenning van haar geniale schilderkunst in eigen land met de tentoonstelling van 1953 waar zij met bed en al naar toe werd gebracht. Kunst was voor Frida Kahlo haar enige integriteit, het enige middel om de ruïne van haar lichaam en van haar gevoelens met het lijden, dat liefde met zich meebrengt, te overleven.

Pijn en depressie
Waarnemen is zoveel meer dan louter registreren. Emoties zoals spanning, angst, irritatie, kwaadheid, verdriet, gevoelens van onmacht en wanhoop modificeren het waarnemen van pijn. Emoties zijn zelf ingebed in de karakteriële structuur en bovendien geënt op leerervaringen. Ieder van ons leerde op zijn manier omgaan met pijn, de pijndrempel is persoonlijk. Welk is de toonaard van de pijn en hoe label je de pijn? Is de pijn scherp, bijtend, knagend, onverdraaglijk?… De ene persoon gaat al vlugger bij de arts dan een andere met dezelfde kwaal. Zo zie je maar hoe persoonlijkheid, cultuur en geloof, lichaamsbeleving, verwachtingen, normen en waarden een invloed hebben op de impact van de pijn op het leven.

Pijn vertaalt zich in motoriek: denk maar aan uitdrukkingen als “verkrampen van de pijn”. Pijn kan gepaard gaan met “iets doen” of “niets doen, bij de pakken blijven zitten als het ware”.

Gebukt onder pijn riskeert de “wereld” in te krimpen: partner, gezin, werk, vrienden, sociale activiteiten geraken op de achtergrond. Centraal wordt alles wat met pijn in verband staat: dokters, polyfarmacie en herhaalde ingrepen. Plezierige gebeurtenissen, aangename vooruitzichten en toekomstplannen zijn voor de chronische pijnpatiënt vaak niet meer weggelegd.

Terneergedrukt, gedeprimeerd zijn – wij spreken soms van dysforie – vloeit als het ware per definitie voort uit de chronische pijnervaring. Gedeprimeerd zijn betekent (nog) geen depressie, hoewel de neurovegetatieve verschijnselen gelijkaardig zijn, met name het verlies aan energie, moeheid, concentratieverlies, initiatiefverlies, eetlustverlies, gewichtsverlies, libidoverlies, slaapstoornissen en sociaal isolement. Bij depressie verdwijnt elke mogelijkheid tot genieten, er is geen toekomst meer, suicidegedachten zijn aanwezig maar soms zijn wij té beschroomd om ernaar te informeren uit schrik om één en ander te bevorderen, wat onterecht is. Op de vraag of zij al eens de gedachte hadden nooit meer wakker te worden, reageren de mensen doorgaans opgelucht ook in deze dimensie gehoor te vinden.

Pijn en depressie hebben wederkerige effecten. Pijn brengt zorgen en pessimisme teweeg, terwijl depressie de capaciteiten van de patiënt om om te gaan met de pijn ondergraaft. Omdat het woord depressie nog steeds negatief geladen is, alsof het een tekort aan wilskracht zou betekenen, zal de patiënt wel alle klachten aan de pijn toeschrijven: het is zijn pijn (en niet een eventuele voorafbestaande of later opgetreden depressie) die hem belet in slaap te geraken, die hem ’s morgens om vier uur wakker maakt. Het is de pijn die hem van alle energie beroofd heeft, hem teneerdrukt, hem belet seksueel actief te zijn, te werken, enz.

Hoe chronische pijn en depressie verweven zijn, lichamelijke en psychische pijn, vinden wij in het taalgebruik terug: de oude Romeinse wijsgeer Publius Syrus schreef in de eerste eeuw voor Christus: “de pijn in de geest is erger dan de pijn in het lichaam”. Freud vond het niet toevallig dat het woord pijn zowel voor de psychische beleving van rouw en depressie, als voor lichamelijke pijn wordt gebruikt. De Franse woorden douleur en deuil bevatten dezelfde etymologische wortel, afkomstig van het Latijnse “dolere”, wat pijn lijden betekent maar ook smart voelen.
Vanuit psycho-analytische hoek wordt de gemeenschappelijke noemer benadrukt tussen pijn en depressie: beide verwijzen naar zelfbestraffing (het woord pijn is afkomstig van het Latijnse poena=straf). Zowel depressieve als chronische pijnpatiënten vertonen inderdaad vaak massieve schuldgevoelens en op zichzelf gerichte agressie.

Vanuit biologisch-psychiatrische hoek blijkt zowel bij depressie als bij chronische pijnpatiënten een tekort aan endogene opiaten en serotonine te bestaan. Het zijn trouwens vooral de antidepressiva met overwegend serotonerge activiteit die een gunstig effect hebben. Een proeftherapie kan aangewezen zijn bij chronische pijnpatiënten – onafhankelijk van het feit of ze al dan niet manifest depressief zijn. Een panacee is het evenmin. Een goed gesprek, goede slaap en voldoende beweging zullen endorfine en serotonine ook verhogen, evenals een positieve kijk op de toekomst.

Graag eindig ik met de volgende woorden van Frida Kahlo uit haar dagboek: “In spite of my long illness I feel immense joy in LIVING”.

Met dank aan de professoren J. Vinck, B. Van Houdenhove en M. Bogaert.

Dr. Guy Van den Abeele, neuroloog – september 2003