|
Een groot probleem voor de neurochirurgie bij hersentumoren
was tot voor kort de onwetendheid over de functie die men
aan het verwijderen was. Niet zelden bleek de patiënt
postoperatief verlamd aan een ledemaat of communicatief zwaar
gehandicapt. Door de ontwikkeling van nieuwe beeldtechnieken
zoals de fMRI, werd het mogelijk bepaalde delen in de hersenen
te zien oplichten wanneer ze “in actie” kwamen.
fMRI is dus een belangrijk hulpmiddel, maar zegt dikwijls
nog onvoldoende over de reële toestand op het “veld”.
De daadwerkelijke veldverkenning noemt men “corticale
stimulatie”. Met een soort pincet worden zwakke stroomstootjes
toegediend in een welbepaalde zone van de hersenschors (de
cortex).
Deze techniek, oorspronkelijk door de Canadees Penfield in
1934 ontwikkeld om de motorische en sensorische cortex in
kaart te brengen, werd door de Amerikaanse neurochirurg Ojemann
in het begin der jaren ’90 verfijnd om meer specifieke
functies zoals de verschillende taalmodaliteiten te mappen.
Mapping is het in (kleur)kaart brengen van specifieke functies.
Omdat corticale cellen geen pijnreceptoren bevatten, voelt
de patiënt geen hinder van deze stroomstootjes. Intussen
kan duidelijk worden welke specifieke functie verzorgd wordt
in de geactiveerde cortex. Belangrijk hierbij is dat de patiënt
op het ogenblik van deze stimulatie bij volledig bewustzijn
is, m.a.w dat hij wakker is en dus als het ware de chirurg
helpt bij het verwijderen van zijn eigen hersentumor. Wat
komt een logopedist-afasioloog in deze opzet doen?
Afasioloog
Een logopedist die gespecialiseerd is in de neurogene spraak-
en taalstoornissen is een afasioloog. Dit betekent dat hij
zowel vertrouwd is met de linguïstische en cognitieve
uitvalsverschijnselen bij een hersenletsel, als met de mogelijke
anatomische correlatie van dit letsel met de symptomen die
de patiënt stelt. Hij moet met andere woorden weten waar
het benoemen, het herhalen, het begrijpen, het articuleren
in de hersenen geacht wordt te gebeuren.
De organisatie van onze hersenen (en dus ook taalactiviteit
en gedrag) is zeer individueel bepaald. Daarom moet de afasioloog
bij elke patiënt onderzoeken of de standaardlokalisatie
van een welbepaalde functie weerhouden wordt. Hij moet tevens
op de hoogte zijn welke specifieke testtaken dienen gebruikt
te worden om een bepaalde linguïstische functie te beoordelen.
 |
 |
 |
 |
 |
 |
Kritische zones voor het LEZEN |
Kritische zones voor ZINSBOUW |
Kritische zones voor BENOEMEN |
 |
 |
|
Procedure
Zodra zich een patiënt aanmeldt met een tumor van de
grote hersenen op de dienst neurochirurgie in het AZ Sint-Lucas,
wordt een linguïstisch bilan aangevraagd. Door een grondig
preoperatief linguïstisch onderzoek kunnen we nagaan
in hoeverre de patiënt reeds een afasie (taaluitval)
dan wel een spraakuitval (dysarthrie) vertoont.
Vervolgens krijgt de patiënt een fMRI waarbij activiteit
wordt gemeten tijdens een bepaalde motorische of talige opdracht.
De neuro-radioloog geeft aan in hoeverre een bepaalde functie
in de nabijheid van de tumor verblijft; millimeterwerk dat
van uitzonderlijk belang is voor de verdere procedure! Het
is tevens essentieel dat de taaldominantie bepaald wordt (in
de linker- of de rechterhersenhelft).
Op basis van alle gegevens die de neurochirurg heeft verzameld,
zal hij al dan niet besluiten tot een “wakkere”
neurochirurgische interventie.
Indien hiervoor het licht op groen gezet wordt, maakt de afasioloog
een individuele testbatterij aan die hij gebruikt tijdens
de ingreep zelf, het zogenaamde Per Operatoir Linguïstisch
Onderzoek (POLO). Een voorbeeld: bij een benoemtaak (benoemen
van voorwerpen) haalt de patiënt preoperatief 45/60.
De woorden die hij niet kan benoemen worden uit de reeks gehaald
en vervangen door woorden die hij nog wel kan benoemen. Tijdens
de ingreep moeten we immers zeker zijn dat de uitval (hier
het “niet kunnen benoemen”) te wijten is aan de
corticale stimulatie en niet aan een preoperatief reeds aanwezige
uitval. De volledige POLO-testbatterij wordt daarom uitgebreid
preoperatief doorgenomen met de patiënt.
Cruciaal hierbij is het verkrijgen van een sterke
vertrouwensband met de patiënt;
- hij moet weten wat er gaat gebeuren (wakker worden net vóór
corticale stimulatie zal plaatsvinden)
- wat er van hem verwacht wordt (welke taken zullen concreet
worden afgenomen)
- wat hij moet meedelen (elke gewaarwording zoals pijn, braakneiging,
beweging of tinteling in vingers, aangezicht, ledematen, enz.).
Teamwork
Om een optimale neurochirurgische interventie-conditie te
bekomen is een gespecialiseerd team nodig. Een bijzonder aandachtspunt
bij dergelijk soort ingreep is de anesthesie. De anesthesist
moet erover waken dat de patiënt, nadat hij eerst volledig
onder narcose werd gebracht voor het openen van zijn schedelluik,
langzaamaan weer wakker wordt op de operatietafel. De patiënt
moet immers gedurende de operatie kunnen horen, zien en praten.
Hiervoor moet hij uiteraard zelfstandig kunnen ademen en mag
hij geen tube in de mond hebben.
Een gespecialiseerde instrumentiste moet naast de standaardprocedure
voortdurend alert zijn om bij eventuele epileptogene reactie
van de patiënt onmiddellijk de nodige koelvloeistof te
kunnen aanreiken. Verschillende operatieverpleegkundigen zijn
permanent stand-by, om waar nodig op een professionele wijze
hulp te bieden.
De neurochirurg is de dirigent van deze operatie. Zijn instructies
moeten onmiddellijk en accuraat worden uitgevoerd. Terwijl
hij door de microscoop kijkt wordt elke beweging van zijn
hand vergroot geprojecteerd op een beeldscherm. Boven op dit
beeldscherm tekent de computer een rooster, zodat iedereen
kan volgen in welk vak de corticale stimulatie plaatsvindt.
Nu begint het samenspel tussen de chirurg en de afasioloog
; telkens wanneer de patiënt bijvoorbeeld een woord moet
herhalen stimuleert de chirurg een bepaalde zone op en rond
de hersentumor. Elke conditie wordt twee à drie keer
gecontroleerd. Door deze manier van mapping ontstaat een functionele
kleurkaart die aangeeft waar die ene specifieke functie(bijvoorbeeld:
repetitieve vaardigheid) bij deze patiënt uitvalt en
waar niet. Verscheidene talige en/of motorische functies kunnen
zo gevisualiseerd worden.
Op basis van deze kaart zal de neurochirurg de tumor verwijderen
zonder dat hij functioneel gebied wegneemt. Essentiële
gebieden zoals taalbegrijpen of handfunctie zal hij maximaal
bewaren door tot resectie van de tumor over te gaan, zonder
de functionele gebieden te beschadigen.
Na dergelijke ingreep die een actieve “wakkere”
participatie vereist van maximaal twee uur, volgt uiteraard
een uitgebreide postoperatieve follow-up. Eenmaal de patiënt
terug op de kamer is observeren we de talige en motorische
status en volgt een hertesting bij ontslag, noodzakelijk om
pre/per/post symptomen te vergelijken.
Deze tijdsintensieve procedure heeft alleen maar voordelen
voor de outcome van de patiënt. Voor het eerst in de
geschiedenis kunnen we immers proberen voorkomen dat de patiënt
een postoperatieve taaluitval of een motorisch deficit oploopt.
De kwaliteit van het leven van de patiënt met een hersentumor
wordt hierdoor maximaal gewaarborgd.
Zoals steeds zal de aard van de tumor, het reageren op postoperatieve
radiotherapie en mogelijke complicaties de kwantiteit van
zijn ziekteproces bepalen. Een evaluatie op lange termijn
is dan ook opgestart.
|